Site Feedback

Een kort verhaal - "niet", "geen", "er" en "wel"

 

A:Hoeveel koekjes heb je gegeten?!
B:Zojuist heb ik er drie gegeten - ze smaken lekker: witte chocolade, toch?
A:Ja, ze waren witte chocolade.
B:Hoe smaakt de soep? En wat zitten er in de soep?
A:Ik heb de soep niet gegeten, maar de pizza. Maar groenten en kip zitten in de soep, denk ik.
B:Zitten er champignons in de soep?
A:Nee, er zitten geen champignons in de soep, maar ze zitten wel wortelen in de soep.
B:Goed! Komt de bus om vier uur?
A:Nee, hij komt niet om vier uur, maar twintig over vier.
B:Oké. Ik wil thuis zijn ook al heb ik vandaag niets te doen.
A:Je moet met de buren spreken!
B:O! Juist! Maar ik spreek ze niet vandaag, maar overmorgen.
A:O, waarom?
B:Ze zijn nu op vakantie, maar op vrijdag zijn ze thuisgekomen, denk ik.
A:Natuurlijk. Heb je geld voor lunch, eigenlijk?
B:Nee, sorry, ik heb geen geld. Ik betaal met m'n creditcard.

Hopelijk zijn mijn zinnen niet te slecht. Ik heb nog heel veel problemen met Nederlandse woordvolgorde, maar hopelijk is dit begrijpelijk.

Share:

 

0 comments

    Please enter between 0 and 2000 characters.

     

    Corrections

    Een kort verhaal - "niet", "geen", "er" en "wel"

    A:Hoeveel koekjes heb je gegeten?!
    B:Zojuist heb ik er drie gegeten - ze smaken (of: zijn) lekker: witte chocolade, toch?
    A:Ja, het ze waren witte chocolade.
    B:Hoe smaakt de soep? En wat zitten er in de soep?
    A:Ik heb de soep niet gegeten, maar de pizza. Maar groenten en kip zitten (of: er zit groenten en kip) in de soep, denk ik.
    B:Zitten er champignons in de soep?
    A:Nee, er zitten geen champignons in de soep, maar er ze zitten wel wortelen (of: wortels) in de soep.
    B:Goed! Komt de bus om vier uur?
    A:Nee, hij komt niet om vier uur, maar twintig over vier (of: tien voor half vijf).
    B:Oké. Ik wil thuis zijn ook al heb ik vandaag niets te doen.
    A:Je moet met de buren spreken!
    B:O! Juist! Maar ik spreek ze niet vandaag, maar overmorgen.
    A:O, waarom?
    B:Ze zijn nu op vakantie, maar op vrijdag zijn ze thuisgekomen, denk ik.
    A:Natuurlijk. Heb je geld voor lunch, eigenlijk?
    B:Nee, sorry, ik heb geen geld. Ik betaal met m'n creditcard.

    Hopelijk zijn mijn zinnen niet te slecht. Ik heb nog heel veel problemen met Nederlandse woordvolgorde, maar hopelijk is dit begrijpelijk.

    ---

    Je zinnen zijn echt erg goed. 

    De volgorde is uitstekend.

     

    "B:Ze zijn nu op vakantie, maar op vrijdag zijn ze thuisgekomen, denk ik."

    Grammaticaal klopt de zin maar logisch is de zin niet. Logischer is:

    - Ze zijn nu op vakantie, maar vrijdag komen ze thuis, denk ik.

     

    Write a correction

    Please enter between 25 and 8000 characters.

     

    More notebook entries written in Dutch

    Show More