Site Feedback
Important Notice: Feb 1st from 05:00 to 08:00 (UTC) , italki will be down for scheduled maintenance. If you have scheduled sessions during this time, read our Announcement

Exercise 1.1

Change the following sentences into a. the Past Tense, b. the Present Perfect Tense

1. (Hebben) jullie een mooi huis?
- Hebben jullie een mooi huis?
- Hadden jullie een mooi huis?

2. Ja, ons huis (zijn) heel mooi.
- Ja, ons huis is heel mooi.
- Ja, ons huis was heel mooi.

3. Hoeveel kamers (hebben) jullie huis?
- Hoeveel kamer heeft jullie huis?
- Hoeveel kamer had jullie huis?

4. In ons huis (zijn) vijf kamers.
- In ons huis zijn vijf kamers.
- In ons huis waren vijf kamers.

5. Ik (luisteren) gisteren de hele dag naar de radio.
- Ik luister gisteren de hele dag naar de radio.
- Ik luisterde gisteren de hele dag naar de radio.

6. (Luisteren) jij elke dag naar de radio?
- Luister jij elke dag naar de radio?
- Luisterde jij elke dag naar de radio?

7. Vader (werken) elke dag in de tuin.
- Vader werkt elke dag in de tuin.
- Vader werkte elke dag in de tuin.

8. De kinderen (spelen) de hele dag buiten.
- De kinderen spelen de hele dag buiten.
- De kinderen speelden de hele dag buiten.

9. Ik (lenen) nooit geld bij de bank.
- Ik leen nooit geld bij de bank.
- Ik leende nooit geld bij de bank.

10. Hoe (smaken) Duits (German) brood?
- Hoe smaakt Duits brood?
- Hoe smaakte Duits brood?

11. Soms (koken) Vader het eten.
- Soms kookt vader het eten.
- Soms kookte vader het eten.

12. Waarom (plagen) jij je kleine zusje?
- Waarom plaagt jij je kleine zusje?
- Waarom plaagde jij je kleine zusje?

13. Zij (she) (zijn) nog nooit (never yet) in New York.
- Zij is nog nooit in New York.
- Zij was nog nooit in New York.

14. Vader (hebben) geen grote auto.
- Vader heeft geen grote auto.
- Vader had geen grote auto.

15. Het vliegtuig (gaan) naar Chicago.
- Het vliegtuig gaat naar Chicago.
- Het vliegtuig ging naar Chicago.

16. Hannie (winkelen) de hele dag.
- Hannie winkelt de hele dag.
- Hannie winkelde de hele dag.

17. Wij (leren) niet veel nieuws vandaag.
- Wij leren niet veel nieuws vandaag.
- Wij leerden niet veel nieuws vandaag.

18. Ik (leren) inderdaad (indeed) ook niet zo veel.
- Ik leer inderdaad ook niet zo veel.
- Ik leerde inderdaad ook niet zoveel.

19. Henk (leggen) zijn boeken op de tafel.
- Henk leeg zijn boeken op de tafel.
- Henk legde zijn boeken op de tafel.

20. Wie (betalen) vanmorgen voor de koffie?
- Wie betaalt vanmorgen voor de koffie?
- Wie betaalde vanmorgen voor de koffie?

Share:

 

0 comments

    Please enter between 0 and 2000 characters.

     

    Corrections

    No corrections have been written yet. Please write a correction!

    Write a correction

    Please enter between 25 and 8000 characters.

     

    More notebook entries written in Dutch

    Show More